Het bezoek van de inspectie is geweest en afgezien van een tweetal herstelopdrachten betreffende onderwijsresultaten en vakdidactisch handelen was het oordeel van de inspecteurs uitermate positief. Iets anders had ik niet verwacht. Ten eerste ken ik de school van haver tot gort en weet wie mijn collega’s zijn en ten tweede heb ik gezien hoeveel energie de afgelopen weken gestopt is in het papierwerk en de organisatie van de dag.
Tijdens mijn lange verblijf in het onderwijs heb ik menig inspectiebezoek meegemaakt, in de tijd dat ik als meester voor de klas stond en later toen ik deel uitmaakte van het managementteam. Tijdens al die bezoeken heb ik me op mijn gemak gevoeld, omdat ik wist dat ik mijn werk serieus nam en ernaar streefde het beste uit de leerlingen te halen, met een groot oog voor hun sociaal/emotionele ontwikkeling en een gelukkige schooltijd. Wel heb ik me geërgerd aan inspecteurs die alleen naar de cijfertjes keken en weinig begrip toonden voor bijzondere omstandigheden die zich op school kunnen voordoen. Zo kreeg ik eens woorden met een inspecteur die op mijn opmerking dat we tegen de limiet van toe te laten leerlingen aanliepen, omdat de klassen allemaal 2 tot 3 leerlingen boventallig hadden, als dooddoener zei: “Tja, soms eet je dunne soep en soms eet je dikke soep.” Daar kon ik het mee doen.
Mijn held schrijver-onderwijzer Theo Thijssen had 100 jaar geleden weinig op met inspecteurs en modieuze onderwijsvernieuwers. Hij vertrouwde liever op het vakmanschap van gewone, nuchtere docenten, die intuïtief lesgaven en zo hun leerlingen verhieven – ook die uit de lagere milieus.
‘Peinzen over z’n vak is voor een schoolmeester een merkwaardige bezigheid.’ Zevenenveertig was Theo Thijssen toen hij dit in 1926 noteerde in De gelukkige klas. In deze roman besluit de fictieve schoolmeester Staal een dagboek bij te houden over ‘de manier waarop de klas en ik met elkaar omgaan’. Zelf, een ervaren onderwijzer, wist Thijssen precies waarover hij schreef toen hij opmerkte dat het bijzonder was om te reflecteren op de wisselwerking tussen een schoolmeester en zijn klas.
Romanpersonage Staal, die lesgaf op een Amsterdamse volksschool voor arme kinderen, bekommerde zich om het geluk van individuele leerlingen, maar boven alles om de groep. Hij werkte al traumasensitief en groepsdynamisch voordat deze woorden waren uitgevonden. ‘Te midden van honderd voorschriften en regelingen’ ging Staal zijn eigen gang, en ‘nam of schiep wat hij nodig had om volop schoolmeester te kunnen zijn’. Dit weerspiegelde Thijssens eigen opvatting. Niets moest hij hebben van schooldirecteuren, inspecteurs en ‘commandeer’-pedagogen die probeerden hem in de klas de wet voor te schrijven. Als man van de praktijk wist hij zelf het best hoe hij zijn vak kon uitoefenen. Zo schreef hij aan het slot van De gelukkige klas: ‘Het wezenlijke van wat er met Staal en zijn klas gebeurde, dat voltrekt zich buiten álle bemoeienis van derden om.’
Ik onderschrijf dit voor een groot deel, maar ben wel van mening dat we naast een gelukkige klas met zijn allen ook verantwoordelijk zijn voor een gelukkige school en dat betekent als team samen afspraken maken hoe het onderwijs vorm te geven. Daarbij heb je een aantal kapstokken nodig, zoals een curriculum, een lesmodel, schoolregels, een leerlingvolgsysteem en respect voor elkaar. Verder ben ik een grote voorstander van persoonlijke vrijheid voor de man of vrouw voor de klas, die echter wel aangesproken moet worden als hij of zij verzaakt en daardoor professionele standaarden niet behaalt.
Eigenlijk zouden we alle banen die geen rechtstreekse bemoeienis met de leerlingen zelf hebben tot bullshitjobs moeten kunnen verklaren, zelfs de mijne. Wat gebeurt er als de juf of meester ziek wordt: directe paniek en actie, want de klas is onbezet. Wat als directeur of ondersteuningscoördinator ziek is: de school draait gewoon door en na enkele weken ontstaat er wat onrust. Wat gebeurt er als de inspectie niet langskomt: niets.
Ik breng het mogelijk wat gechargeerd en voel ook vreugde over het goede oordeel van de inspectie, waarvan de voornaamste waarde is dat ze net als de flitspaal ons aan de regels doen houden, maar eigenlijk overbodig zou moeten zijn. Als we in ons achterhoofd de ideeën van Theo Thijssen houden komt het goed:
De visie van Theo Thijssen is gericht op het voorbereiden van leerlingen op een waardevolle toekomst in een veranderende maatschappij door hen een goede basis van kennis en vaardigheden te bieden. We streven naar een inspirerende, veilige omgeving waarin leerlingen leren omgaan met verschillen, zelfstandigheid ontwikkelen en hun maximale potentieel kunnen bereiken, met een focus op zowel cognitieve als sociaal-emotionele ontwikkeling.
Tot slot de kernprincipes van de visie:
Ieder kind is uniek: De school erkent de individualiteit van elk kind en wil hen een plek bieden waar ze zich gewaardeerd voelen.
Leren van en met elkaar: Er is een sterke nadruk op samenwerking, het elkaar leren kennen en inspireren binnen een diverse gemeenschap.
Veiligheid en waardering: Kinderen moeten zich veilig en gewaardeerd voelen, wat essentieel is voor hun optimale ontwikkeling.
Voorbereiding op de toekomst: Leerlingen krijgen de kennis en vaardigheden mee die nodig zijn om hun plek in de samenleving te vinden, inclusief digitale vaardigheden.
Positief omgaan met verschillen: De school draagt bij aan een multiculturele samenleving door kinderen respect voor elkaar te leren en positief met verschillen om te gaan.
Plezier in leren: Een inspirerende omgeving en de aanmoediging van zelfstandigheid zorgen ervoor dat kinderen graag leren en het maximale uit zichzelf halen.
Volgens mij kunnen we ons als Orion College Noord daarin wel vinden.